‘Benoemkampioen’ op de Amsterdamse huizenmarkt

Volgens de Amerikaanse filosofe Judith Butler zijn mensen ‘talige wezens’. Woorden zijn sociale acties en met die woorden worden wij aangesproken om een plaats te krijgen in bijvoorbeeld de maatschappij, aldus Butler. Om deze plaats overtuigend in te nemen, maken journalistiek, reclame en politiek bewust (en onbewust) gebruik van framing. Een techniek om woorden en beelden zo te kiezen dat daarbij impliciet een aantal aspecten van het beschrevene wordt uitgelicht. Bij framing kiest de zender ervoor woorden en beelden te communiceren waarvoor de beoogde ontvangers het vatbaarst zijn.

Dat werkt in de praktijk als volgt: ‘overspannen en oververhit’ kopte de NRC onlangs over de Nederlandse huizenmarkt en die in Amsterdam in het bijzonder. De strekking van het artikel: projectontwikkelaars en beleggers, waaronder Prins Bernard van Oranje, verdienen goed geld op de woningmarkt en zijn debet aan de hoge huurprijzen en het nijpend woningtekort. De Amsterdamse PvdA fractievoorzitter Marjolein Moorman haakte daar direct op in. Ze verklaart tegenover de media dat de beleggers nu de starters verdringen die de hoge Amsterdamse huizenprijzen niet kunnen opbrengen. In een tweet pookt ze haar boosheid nog eens flink op: ze noemt het ” … pijnlijk duidelijk dat wie veel bezit, meer ontvangt en wie weinig heeft steeds minder krijgt. Dat zelfs een prins dit doodnormaal vindt. Moraliteit ver te zoeken.” Aldus de fractievoorzitter.

Huisjesmelken
De kracht van het frame. Eén. Je kiest voor een ontvankelijke invalshoek. Niemand kan er voor zijn dat veel huurders de stad uit worden geprijsd door een kleine groep die er veel aan verdient. Met haar taalstrategie positioneert Moorman alle beleggers en ondernemers als prijsopdrijvers en plaatst ze in één adem in het verdomhoekje van de maatschappij.

Twee. De anonieme groep beleggers krijgt een bekend gezicht: Prins Bernard van Oranje die met het vastgoedvehikel Pinnacle veel panden bezit. Hij wordt de verpersoonlijking van ondernemende pandjesverzamelaars die opbieden tegen een jong echtpaar met een baby. Drie. Je maakt het de Amsterdammers makkelijk. Die hoeven zich niet te verdiepen in de achtergrond van of de oplossing voor het woningtekort, maar maken zich boos over de situatie en de oorzaak die Moorman benoemt.

De werkelijkheid is voor een deel anders dan het moreel frame waarvoor de Amsterdamse bestuurder kiest. Eén. Ja, er is sprake van stevige krapte in Amsterdam. En ja, de huurprijzen zijn omhoog geschoten. Maar de woningen staan niet leeg. Die worden verhuurd aan mensen die graag in de hoofdstad wonen. Ze kunnen of willen echter geen woning kopen.

Twee. Moorman belicht in het frame om begrijpelijke redenen niet het politieke aandeel in de ontstane situatie. Het bestuur van de hoofdstad (waarin Moorman sinds 2010 zitting heeft) laat al jaren woningen voor mensen met een hoger inkomen aan de markt over. Als die markt in de vorm van een aantal beleggers daar vervolgens gebruik van maakt, moet je hun handelen niet veroordelen.

Drie. Amsterdam was jaren kampioen sociale woningbouw. Echter, de bouw van nieuwbouwwoningen in Amsterdam heeft sinds de crisisjaren nagenoeg stilgelegen. NRC Handelsblad becijferde dat er jaarlijks in de hoofdstad 80.000 woningen nodig waren en er tussen 45.000 en 55.000 huizen werden bijgebouwd. Amsterdam hanteerde toen een bouwstop. Dan moet je niet verbaasd zijn dat het bij een aantrekkende economie op de woningmarkt begint te piepen en te kraken. En ‘derden’ daar vervolgens in springen.

Woorden zijn geen neutrale overbrengers van gedachten. Door vastgoedbeleggers met een frame te labelen, plaatst Moorman ze buiten de orde van het normale. Dat is de meest eenvoudige wijze om de groeiende ontevredenheid over de Amsterdamse huizenmarkt te kanaliseren. De gewezen Amsterdamse PvdA wethouder Lodewijk Asscher heeft voor dit soort acties een tegenframe. Hij sprak ooit over ‘benoemkampioenen’. Hij doelde met dat frame op mensen die makkelijk kletsen, maar niets oplossen.